Ellert Wijnalda
was een leraar die niet (officieel) gestudeerd had. Hij
diende de gemeente van 1745 - 1794, als opvolger
van Jan Thomas. Hij heeft, aldus
de website over de geschiedenis van de
doopsgezinden kerk in Surhuisterveen, het
doopregister met duidelijke en mooie hand
bijgehouden. Beroepen in 1745 kreeg hij vrij
wonene, turf en zoveel penningen, "als de
dyakenen vande leden inforderden en geen land
toe".
Age WijnaldaSir Age Wijnalda, de broer van
Eilert Wijnalda, is geboren te Dokkum op 17
oktober 1712 en overleden op 19 oktober 1792 als
'rustend leeraar bij de Doopsgezinden te
Haarlem'. Hij
is in 1754 geridderd
in Herrenhausen (Hannover)
door
de koning van
Groot-Brittannië voor
diensten verleend aan
de kroon. Niet duidelijk is waarvoor. Ook
onduidelijk is of het hier gaat om koning
William II of George II (Hannover) 1683-1760.
Hij was de stichter van de
"Doopsgezinde Schaar".
Hij liet, volgens Cornelis de Koning,
'zulk eene eervolle nagedachtenis na, dat, toen
zijn vriend
Adriaan Loosjes Pz. een fraai afbeeldsel
van hem door Is. de Wit Jz. liet graveeren, hij
daaronder het volgende bijschrift voegde:
De eenvouwdige Ernst en Deugd schijnt nog van't
aangezigt
Des grijzen Leeraars af, die, als een eerlijk
Christen,
Der Doopsgezinden Schaar geleerd heeft en
gesticht,
Vervreemd van ijdele eer en waangeleerde twisten
....
Wie ziet dat grijze hoofd in zo verheven licht
En voelt geen stil ontzag voor dien geliefden
Vader?
Die derft en Menschlijkheid en Christlijkheid te
gader.'

Portret
op 28-03-1792 gemaakt door
Wybrand Hendriks (ad
vivum delineavit). De scultuur is van
de hand van
Izaak de Wit Jszn 1744-1809.

Doopsgezinde kerk, Grote Houtstraat &
Peuzelaarsteeg & Frankestraat, Haarlem
Age was in 1778 een van
de eerste leden van het
Teylers Eerste genootschap (Teylers
Godgeleerd Genootschap).
Dit theologisch
genootschap was opgericht als een van de
resultaten van het testament van Piter Teylers
van der Hulst. Het testament had bepaald dat er
twee remonstranten en drie baptisten zitting in
moesten nemen. Omdat er zes leden moesten zijn,
benoemde de eerste vijf een zesde lid, een
baptist.
Age kreeg zijn opleiding
aan het Remonstrants seminarie in Amsterdam en
diende van 1733-1736 in het Duitse Emden, waarna
hij naar Haarlem verhuisde. Hij bewoonde
het buitenverblijf Sparenrust aan het Spaarne en
had een huis in de Schagchelstraat.

Antonie Lodewijk
Koster (1859-1937), links is het buiten
Sparenrust.

Toen in Buitenpost de
eerste Doperse Vermaning in gebruik werd genomen
hield Age Wijnalda, leraar te Haarlem, op
19-07-1742 de
inwijdingspreek, liefst 46 bladzijden lang. Zijn
leerrede naar aanleiding van psalm 26 vers 8 had
als thema: "Davids liefde tot Gods huis". Die
preek is in druk verschenen en is een van de
weinige dingen die bewaard zijn gebleven van de
geschiedenis der Dopers in Buitenpost.
Psalm 26:8
HEER, het
huis waar u woont heb ik lief,
de plaats waar uw glorie verblijft.
|
Davids liefde tot Gods Huis, overwoogen
en getoond in eene leerreden over psalm XXVI: 8,
gedaan ter inwydinge van de nieuw gebouwde
vergaderplaats der Doopsgezinden te Buitenpost
in Vriesland / aldaar uitgesprooken den 19den
Augustus, 1742, door Age Wynalda
(Tresoar, F 3085).
Gezina Wijnalda en
Jan NieuwenhuizenGezina Wijnalda, de zuster van
Eilert Wijnalda, werd geboren op 21 juni 1722 in Dokkum. Zij
trouwde op 9 mei 1751 met Jansz Nieuwenhuizen
(1724-1806) en overleed op 23 mei 1787. Onder alle voorname mannen die in
Haarlem zijn geboren deed niemand aan het
'gansche Vaderland zulk eenen uitstekenden en
wijduitgestrekten dienst, dan de beroemde en
door zijne Christelijke deugden
vereerenswaardige Stichter der
Maatschappij Tot
Nut van 't Algemeen.

Jan Nieuwenhuijzen,
geschilderd door Adriaan de Lelie.
Jansz was de zoon van Maarten
Jansz Nieuwenhuyzen, Christenleeraar bij ene
Doopsgezinde Gemeente en Grietje van Dalen.
Jansz was boekhandelaar en woonde op het
'verwulft van de Groote Houtsraat opkomende aan
de regterzijde.' Hij behoorde niet tot de
regenten. Als Doopsgezinde mocht hij geen
openbare functies bekleden. Hij had ook niet
gestudeerd. Bij de Doopsgezinden werd voorganger
degene die deugdzaam en kundig was, ook al had
hij geen theologie gestudeerd. Mogelijk heeft
hij onder invloed van zijn zwager Age gekozen
hebben voor het “leraarschap”. Eerst in
Haarlem, daarna in Middelharnis en
Aardenburg en
vanaf 1771, hij was toen 56 jaar, in
Monnickendam gekomen.
In de Grote Kerk van
Monnickendam bevindt zich een grafgedenkteken
van Jan Nieuwenhuyzen. Op het Noordeinde no. 13,
de vroegere Nuts- kleuterschool, is boven de
deur zijn beeltenis in steen aangebracht.
Jan Nieuwenhuyzen was
voorganger van de Doopsgezinde gemeente in
Monnickendam en zijn bekendheid dankt hij aan
zijn initiatief om een vereniging op te richten,
de huidige Maatschappij tot Nut van ’t algemeen
(1793).
Zij hadden drie kinderen, Age,
Margaretha en Martinus, van wie bij zijn sterven
alleen Margaretha nog in leven was. Hun zoon
Martinus (* 9 december 1759 in Middelharnis)
studeerde geneeskunde aan de universiteit
(Akademie) van Harderwijk waar hij drie jaar
studeerde, waarna hij naar Franeker verhuisde
waar hij op 9 december 1784 doctor in de
geneeskunde werd. Hij trouwde in 1789 met
Anna Maria Herdingh (14-10-1765
in Haarlem- 3-7-1813 in
Haarlem) en
overleden op 6 maart 1793. Uit dit huwelijk:
Gesina Geertruida Nieuwenhuijzen, geboren in
1790 en overleden op 22-05-1860. Getrouwd op
30-04-1817 met Jan Renier Goteling Vinnis,
geboren in 1789. Gesina werd op26-07-1817
benoemd tot regentes van het weeshuis der
doopsgezinden. Martinus en Anna hadden ook nog
een zoon.

Martinus Nieuwenhuyzen
1759-1793
Jan Nieuwenhuizen en zijn vrouw Gesina Wijnalda
hebben twee naast elkaar gelegen graven in hun
bezit in de grote kerk in Monnickendam.
Hij werd op 3 juni 1806 in
graf nr 6 op
grafrij 1
begraven.
Een aantekening in het begraafboek luidt:
'De twee graaven zijn versegelt voor altoos,
mits dat de lijken van Marie Nieuwenhuijzen,
dogter van Jan Nieuwenhuijzen en haar man D.W.
van Sittert komende te overlijden daar in
begraven morgen worden'.
Bron: Cornelis de Koning,
Tafereel der stad Haarlem en derzelver
geschiedenis, deel IV, uitgegeven in
Haarlem, bij A. Loosjes in 1808.
Johannes Douwes
was de overgrootvader van
Bieuwkjen
Johannes Wijnalda, de vrouw van Gerrit Hendriks van der Kaap.
ReferentiesGeysbeek, Pieter Gerardus
Wisen (1823). Biographisch, antlhogisch en
critisch woordenboek der Nederduitsche dichters.
Amsterdam: C.L. Schleijer
Helsloot, P.N.: Martinus
Nieuwenhuyzen; pionier van onderwijs en
volksontwikkeling (Edam, 1993)
http://www.doopsgezindsurhuisterveen.nl/naamlijst_leden_1730___1858.htm
http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=nieu021